‘Waar zouden jullie voor kiezen, voor cremeren of begraven?’, vraagt Herman. ‘Cremeren’, zeggen Onno en zijn vrouw tegelijkertijd. ‘Ik weet het niet’, zegt de partner van Herman, ‘eigenlijk wil ik nog even afwachten hoe de ontwikkelingen met resomeren zullen uitpakken.’ ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord’, zegt Onno’s vrouw verbaasd, ‘wat is dat dan, dat resomeren?’ ‘Dan wordt je als het ware opgelost en worden je botten vermalen en dan kan dat weer als mest gebruikt worden. Het schijnt veel milieuvriendelijker te zijn dan cremeren of begraven’, zegt Herman. ‘Maar het mag nog niet’, zegt zijn partner, ‘het moet eerst nog wettelijk worden toegestaan’. ‘Nou, mij lijkt het maar niks’, zegt Onno’s vrouw stellig. 

‘En wat vind jij?’, vraagt Onno. ‘Ik wil begraven worden’, zegt ze. Ze laat even een kleine stilte vallen en vervolgt: ‘En dan wil ik een platte steen waarop ik de volgende tekst wil: Ze is dood en daarom ligt ze hier’. ‘En dan je naam en datum van overlijden eronder’, oppert Onno. ‘Nee’, zegt ze, ‘geen naam en geen datum, alleen maar die tekst: ‘Ze is dood en daarom ligt ze hier’.’. Onno’s vrouw giechelt een beetje ongemakkelijk. Herman glimlacht en vraagt: ‘Waarom?’ ‘De mensen die me gekend hebben weten dan wel dat ik daar lig, en de mensen die me niet gekend hebben hoeven ook helemaal niet te weten wie daar ligt. Dat gaat ze, vind ik, niets aan.’ ‘Nou, ik vind het maar raar’, zegt Onno’s vrouw. ‘Volgens mij bedoelt ze het niet serieus’, meent Onno. ‘Over zoiets maak je geen grapjes’, zegt zijn vrouw bits.

Het eten wordt opgediend en in stilte begint iedereen te eten. ‘Zeg, die Petra, is dat nou je nieuwe liefde of niet?’, vraagt Onno’s vrouw in een poging de stilte te doorbreken en tegelijkertijd haar nieuwsgierigheid te bevredigen. ‘Ja’, zegt ze. ‘Wat ja?’, vraagt Onno’s vrouw. ‘Ja, ze is mijn nieuwe liefde of niet’, antwoordt ze met een glimlach. ‘Kun je nou nooit eens gewoon antwoord geven op een simpele vraag?’, moppert Onno. ‘Nee’, zegt ze ‘dat gaat niet’. 

Dat deed je vroeger ook altijd al’, grinnikt Herman, ‘dan vroeg mama of je koffie of thee wilde en dan antwoordde jij met ‘ja’. ‘Wat ja?’, vroeg mama dan en dan zei jij met je onschuldigste gezicht ‘eh, ja mama’. Papa vond dat iedere keer weer enorm grappig en, volgens mij, mama stiekem ook.’ ‘Ja’, herinnert zij zich, ‘dan vroeg ze: ‘Wil je koffie?’ en liet de thee als mogelijkheid weg. ‘Graag mama’, zei ik dan. En dan vroeg ze: ‘Met melk en suiker?’, terwijl ze heel goed wist dat ik geen suiker bliefde. Maar als ik dan ‘ja’, zei dan kreeg ik melk én suiker in mijn koffie.’

Weet je nog dat jij de eerste keer bij ons thuis kwam en we buiten, in de tuin, koffie gingen drinken’, zegt Herman tegen zijn partner. ‘Mama zette de kopjes alvast klaar en papa pakte zijn kopje op, keek erin en riep verontwaardigd: ‘Maar Philomena, dit kopje is helemaal niet goed afgewassen!’, en gooide het daarna tegen de schuur kapot. Je had de verbijstering op je eigen gezicht moeten zien, en al helemaal toen wij met zijn allen in lachen uitbarstten. Daar begreep je volgens mij niks van’. ‘Wist ik veel, ik kende jullie gezin toen nog niet, en al helemaal dat vreemde gevoel voor humor niet.’ ‘Ik begrijp het niet’, zegt Onno’s vrouw met een frons op haar voorhoofd.

‘Tja, bij jou mochten we dat niet doen’, herinnert Herman zich. ‘Daar was Onno heel duidelijk in. Hij was veel te bang dat je dan gillend weg zou rennen en nooit meer iets met hem te maken zou willen hebben’. ‘We hebben toen onder ede moeten bezweren dat we deze grap niet met jou uit zouden halen, en dat hebben we dan ook maar niet gedaan’. Onno’s vrouw kijkt hem niet begrijpend aan. ‘Ik zal het je uitleggen’, zegt Herman.

‘Iedere keer dat een vriend of vriendin van ons voor de eerste keer thuis kwam en we in de tuin koffie gingen drinken, sprak papa met mama af dat ze hem een kopje zou geven waar al een stukje uit was. Er waren altijd wel kopjes waar stukjes uit waren, omdat mama nogal ruw afwaste. Dan zette mama dat al beschadigde kopje voor papa neer, zodat hij zijn toneelstukje op kon voeren. Dan keek papa in dat kopje, deed alsof hij boos was omdat het niet goed afgewassen zou zijn en gooide het dan tegen de schuur kapot. Wij wisten allemaal wat er zou gebeuren, dus wij schrokken niet, maar de vriend of vriendin die voor de eerste keer bij ons thuis op bezoek was, schrok wel. En die verbijsterde blik op het gelaat van onze bezoeker vonden wij uitermate grappig waardoor wij, met zijn allen, tot nog grotere verbijstering van het bezoek, in de lach schoten, ook mama. Daarna vertelden we het bezoek dat de gebeurtenis die ze net hadden meegemaakt een initiatie-rite was. Als je die had doorstaan hoorde je er, vanaf dat moment, gewoon bij’. 

‘Ja, papa had wel een apart gevoel voor humor’, zegt Onno. ‘Zo kan ik me herinneren dat hij tegen Hans, onze jongste, die toen een jaar of vijf was, met een doodserieus gezicht zei: ‘Wil jij wel eens gauw stout zijn brave jongen!’ en dat Hans hem toen verbijsterd had aangekeken en met een benepen stemmetje ‘Maar dat mag ik helemaal niet van mama’, had geantwoord. ‘Ja die arme Hans’, merkt Onno’s vrouw op, ‘ik vond het maar zielig voor hem’. ‘Je hebt onze humor nooit goed begrepen, geloof ik’, merkt Herman op. ‘Ik vond het gewoon niet leuk’, reageert Onno’s vrouw enigszins geïrriteerd, ‘zoals die idiote raadsels van jullie. ‘Wat is het verschil tussen een dood vogeltje?’, alsof daar een verschil tussen kan zijn. ‘Maar het antwoord is simpel’, zegt Herman, ‘zijn ene pootje is even lang!’ ‘Dat is wat ik bedoel, dat slaat toch nergens op’.

‘Weet je nog dat ik in het ziekenhuis werkte’, zegt ze, ‘op de kankerafdeling. En dat ik op een gegeven moment opmerkte dat ik het daar wel gezwellig vond? Dat kon je ook niet erg waarderen, en al helemaal niet toen ik op jouw ‘maar dat is helemaal niet leuk’, reageerde met ‘nou je hebt ook totaal geen gevoel voor tumor.’ ‘Dat vind ik gewoon zieke humor’, roept Onno’s vrouw verontwaardigd. ‘Ja, daarom noemen we het ook tumor’, grijnst ze. ‘Hou nou eens op met die flauwekul’, reageert Onno, ‘je weet dat mijn vrouw daar niet tegen kan.’

Ze kijkt op haar horloge. ‘Ik moet bijna weg’, zegt ze, ‘ik wil de trein van half tien nog halen. Dan ben ik tenminste nog een beetje op tijd thuis’. Onno bestelt nog een rondje koffie. ‘Je hebt mama een mooi afscheid bezorgd’, zegt ze tegen haar jongste broer. ‘Ik heb veel hulp van vrouwlief gehad, en natuurlijk ook van de kinderen’, zegt hij. ‘Dan wil ik jou ook bedanken’, zegt ze tegen Onno’s vrouw, die daarop een beetje ontdooit. ‘Neem ons maar niet kwalijk dat we zo’n vreemd gevoel voor humor hebben’, zegt Herman. ‘Is al goed’, zegt Onno’s vrouw, meer voor de bühne dan dat ze het echt meent. Ze drinken hun laatste kop koffie, Onno rekent af en ze lopen gezamenlijk naar buiten waar ze in snel tempo afscheid nemen. 

Ze is ruim op tijd. Ze loopt naar de Grote Staat met aan het einde het Dinghuis waar ze als kind een keer naar de poesjenellenkelder is geweest waar Pieke Dassen voorstellingen met poppen had gegeven. Daar slaat ze rechtsaf en vlak daarna linksaf over de oude brug, op weg naar het station. Daar komt ze om tien voor half tien aan. Petra staat aan het begin van het perron te wachten. Ze glimlacht. Heel even denkt ze aan Toon Hermans die het over perrongeluk had, een woord dat je, als je het uitspreekt, op twee manieren op kan vatten. Petra voelt als geluk dat staat te wachten op het perron. Als perrongeluk dus. Maar ze staat daar niet per ongeluk.

Ze stappen samen in de trein naar het Noorden die al klaar staat. Ze gaan tegenover elkaar zitten, zodat ze elkaar aan kunnen kijken. ‘Hoe was het?’, vraagt Petra. ‘Poeh’, zegt ze. Ze zucht even heel diep. Hoewel haar familie altijd vertrouwd voelt, ervaart ze de aanwezigheid van haar familie ook als vermoeiend. Vertrouwd en vervreemdend tegelijkertijd. Voor je familie kies je niet, daar kom je toevallig in terecht. Daar heb je je maar aan aan te passen. En als je het gevoel hebt dat iets niet klopt, dan is dat moeilijk recht te zetten, alsof iedereen in het gezin gedwongen wordt steeds maar weer dezelfde rol te spelen. 

‘Ik was blij iedereen weer even te zien, maar ik ben ook blij dat ik weer op weg ben naar mijn eigen huis’, zegt ze. ‘Je schoonzus zat echt te hengelen naar onze relatie’, zegt Petra. ‘Ja’, zegt ze met een glimlach, ‘ze vroeg of jij mijn nieuwe liefde was of niet. Maar ik had eigenlijk geen zin om het daar, op dat moment over te hebben. Dus heb ik het antwoord maar een beetje in het midden gelaten. ‘Ja dat snap ik’, zegt Petra. Ongemerkt heeft de trein zich in beweging gezet.

‘Vind je het goed als ik met je meega en bij je blijf slapen?’, vraagt Petra.

‘Dat zou ik heel erg fijn vinden’, antwoordt ze.