De telefoon gaat. Ze neemt op. ‘Ja, met Onno hier, ik wil je even op de hoogte brengen dat het bureau dat mama jou beloofd had morgen langs wordt gebracht’. ‘Hoezo?’, vraagt ze verbaasd. ‘Mama had jou toch haar bureau beloofd en morgen komt een wagen langs om dat bureau bij je af te leveren’. ‘Maar had je dat niet eerst met mij moeten overleggen?’, oppert ze. ‘Ik begrijp niet waar je het over hebt’, zegt Onno enigszins verbolgen, ‘mama had jou toch dat bureau beloofd’. ‘Ja, maar je had toch wel kunnen overleggen wanneer dat bureau deze kant opgestuurd zou worden’. ‘Hoezo, komt dat niet uit dan?’. ‘Dat zeg ik niet, maar het is toch raar dat je dat niet even met me overlegt’. ‘Tja, maar het staat hier maar in de weg’. ‘Hoezo, het staat toch in de opslag’, zegt ze verbaasd. ‘Nee, ik heb alles uit de opslag hierheen gehaald en in onze garage gezet’, zegt Onno. ‘Maar waarom?’, vraagt ze. ‘Die opslag kost alleen maar geld’, zegt Onno, ‘en dat vind ik zonde’. Ze zucht. Onno heeft altijd overal wel een antwoord klaar, ook al slaat zo’n antwoord niet altijd ergens op. ’Weet je ook hoe laat ze komen?’, vraagt ze. ‘Tussen elf en vier’, zegt Onno. ‘Nou, dat moet dan maar’, zegt ze. 

Dat is nou typisch Onno, denkt ze, zonder overleg dingen regelen en dan verontwaardigd zijn als daar niet enthousiast op gereageerd wordt. Hij lijkt wel wat op mama in die zin. Niet echt bezig met de levens van anderen, maar alles beredenerend vanuit zijn eigen belangen en gevoelens. En net zoals bij mama is het hem nauwelijks duidelijk te maken dat dat soms verdomde irritant kan zijn. Alsof het logisch is dat iedereen zich altijd maar aan zijn belangen en gevoelens aanpast. Dezelfde karaktertrek waar ze zich bij haar moeder zo vaak aan geërgerd heeft.

Ondanks dat verheugt ze zich wel op het bureau dat de volgende dag bezorgd zal worden. Dat bureau heeft haar vader speciaal voor haar moeder gemaakt. Na haar vader’s dood had haar moeder haar beloofd dat zij, als moeder zou komen te overlijden, dat bureau zou krijgen. Om duidelijk te maken dat het voor haar dochter bedoeld was had ze een grote envelop in de middelste lade gelegd waarop stond dat het bureau na haar dood voor haar dochter was. Ze had ook niet nagelaten om dat, toen ze nog helder was, duidelijk kenbaar te maken aan Onno en Herman. Die hadden daar overigens geen enkele moeite mee gehad.

Haar vader had het bureau zelf gemaakt en ontworpen. Haar moeder had wel eens laten doorschemeren dat er geheime compartimenten in zaten. Alle deurtjes en laden waren gesloten en konden alleen op een speciale manier worden geopend. Er kwam geen sleutel aan te pas. Mama had wel eens voorgedaan hoe de deurtjes en de laden opengemaakt konden worden, maar ze had gezwegen over de manier waarop de geheime compartimenten geopend konden worden. Dat maakte het bureau alleen maar geheimzinniger.

De dag dat het bureau gebracht zal worden zit ze om half elf al klaar. Om het wachten te bekorten heeft ze de krant voor zich liggen. Eerst maakt ze de puzzels. Ze begint met de sudoku en, nadat ze die heeft opgelost, gaat ze verder met de kruiswoordpuzzel. Die lost ze niet helemaal op, maar dat laat ze zo. Ze weet, uit ervaring, dat bepaalde oplossingen alleen maar tot haar komen als ze de vragen laat rusten. Pas na het gedeeltelijk oplossen van de puzzels begint ze met het lezen van de krant.

Nadat ze de krant uit heeft en gekeken heeft of ze de kruiswoordpuzzel af kan maken, wat helaas niet helemaal lukt, zet ze een kop koffie en maakt een kleine lunch klaar. Na de lunch wast ze af en ruimt het serviesgoed en bestek op. Ze zucht. Ze houdt er niet van om te wachten terwijl ze niet precies weet hoelang ze nog moet wachten. Even vervloekt ze Onno. Als hij dit niet zo geregeld had, had ze haar dag heel anders ingedeeld. Onwillekeurig moet ze ook wel lachen om haar eigen irritatie, vooral omdat ze weet dat, als het bureau er eenmaal is, ze er ontzettend blij mee zal zijn.

Om iets na tweeën ziet ze een grote verhuiswagen die voor haar deur stilhoudt. Ze loopt naar de voordeur en doet open voordat de mannen van de verhuiswagen de kans hebben om te bellen. Ze openen de laadklep en pakken het bureau in de verhuiswagen uit de beschermende dekens, laten de laadklep met bureau zakken en sjouwen het bureau met zijn tweeën naar binnen. Ze wijst waar ze het bureau wil hebben en daar zetten ze het neer.

‘Willen jullie een kop koffie voordat jullie verder gaan?’. ‘Nee mevrouw, we hebben haast, maar dank u wel voor het aanbod’, spreekt de kleinste van de twee, die overigens ruim een kop boven haar uitsteekt. De laadklep gaat weer dicht, de beide mannen stappen in en de verhuiswagen rijdt de straat uit en de bocht om. 

Ze loopt naar het bureau, slaat haar armen over elkaar en laat haar blik over het meubelstuk dwalen. Haar vader was een vakman. Zelfs van waaibomenhout wist hij nog een mooi meubelstuk te maken. En elk meubelstuk dat hij maakte was uniek. Ze pakt de stoel die hij voor haar heeft gemaakt toen ze uit huis ging en zet die bij het bureau. Het is een stoel met drie poten die desondanks uitermate stevig staat. ‘Er is er maar één van’, had haar vader gezegd, ‘een unieke stoel voor mijn meest unieke kind’. Hij had haar altijd kind genoemd, nooit dochter. En nu stond haar unieke stoel bij haar moeder’s unieke bureau. Vreemd genoeg pasten die twee meubelstukken wel bij elkaar. Alsof haar vader geweten had dat ze ooit samengevoegd zouden worden.

Noch de stoel, noch het bureau waren van waaibomenhout gemaakt. Van welk hout wel wist ze eigenlijk niet. Waarschijnlijk had hij verschillende soorten hout door elkaar heen gebruikt. In zijn werkplaats had hij een uitgebreide verzameling hout in allerlei maten en diktes. Ze had hem een keer een plank van drie centimeter dik in twee planken van anderhalve centimeter dik zien zagen, niet met een cirkelzaag, maar met een gewone handzaag. Hij had het niet op cirkelzagen, die waren te gevaarlijk, vond hij, nadat hij had gezien hoe iemand, die even was afgeleid, er drie vingers door had verloren. ‘Ook de vinger met zijn trouwring’, had hij verteld. ‘Je kunt je dus wel voorstellen dat dat huwelijk niet lang meer stand hield’, had hij daarna, met een grijns, opgemerkt. 

Ze opent de grote la in het midden van het bureau. Daar ligt de envelop waarop haar moeder in haar beste blokschrift heeft opgeschreven dat dit bureau en deze brief exclusief voor haar zijn. Ze neemt de dichte envelop in haar hand. Ze loopt naar de keuken om een aardappelmesje te halen, waarmee ze de envelop opensnijdt. Er zit een briefje van haar moeder in en een gebruiksaanwijzing voor het bureau, die haar vader voor haar moeder gemaakt heeft. ‘Lieve schat, dit bureau is voor jou. Om het bureau goed te kunnen gebruiken, voeg ik papa’s gebruiksaanwijzing toe. Ik hou van je. Mama’. 

Ze is ontroerd. Ze kan zich niet herinneren dat haar moeder haar ooit gezegd heeft dat ze van haar hield. Natuurlijk weet ze dat haar moeder, op haar eigen eigenaardige manier van haar hield, maar uitgesproken werd die liefde nooit. ‘Dank je mama’, zegt ze zacht in zichzelf.

Ze denkt terug aan een gebeurtenis die plaatsvond toen ze tien jaar oud was. Ze had vaak ruzie gehad met een meisje uit de buurt. Ze kon dat meisje niet uitstaan en omgekeerd was dat net zo. Op een woensdagmiddag zat ze samen met haar moeder aan de tafel in de huiskamer. Haar moeder werkte aan een quilt terwijl zij met een tekening bezig was. Zo zaten ze, in stilte, samen aan tafel, allebei hun eigen ding te doen toen er plotseling gebeld werd. Moeder was naar de voordeur gelopen, bleef een minuut of tien weg en kwam enigszins overstuur de kamer binnen.

‘Dat meisje waar jij wel eens vaker ruzie mee hebt stond met haar moeder voor de deur, met een bloedneus en een voortand die afgebroken was. Ze beweerde bij hoog en bij laag dat jij haar had laten struikelen. Toen ik vroeg wanneer dat dan gebeurd zou zijn, beweerde ze dat dat vijf minuten geleden was geweest. Ik vertelde haar dat we hier al uren samen aan de tafel zitten te handwerken en te tekenen en vroeg of ze er wel zeker van was of jij haar had laten struikelen. En weet je wat ze toen zei?’, Haar moeder had even een dramatische stilte laten vallen. ‘Ze zei: ‘Dan zal iemand anders het wel gedaan hebben’.’ 

‘Ik heb het niet gedaan’, had ze, verbijsterd, gezegd. ‘Nee dat weet ik ook wel’, had haar moeder geantwoord, ‘je bent gewoon onterecht beschuldigd!’ Ze waren er allebei even stil van geweest. ‘Weet je’, had haar moeder gezegd, ‘ik vertrouw jou. Als ik je vraag of je iets gedaan hebt, dan ga ik ervan uit dat je eerlijk antwoord geeft, zodat ik weet hoe het echt zit. En als je daadwerkelijk iets gedaan hebt, dan word je daarvoor gestraft, maar dat is altijd beter dan dat ik niet zeker weet of ik je kan vertrouwen. Dus beloof me dat je altijd de waarheid zult zeggen, als ik je iets vraag. Ook als dat ogenschijnlijk in je nadeel is, zodat ik je kan vertrouwen’. ‘Dat beloof ik mama’, had ze gezegd. Vanaf dat moment wist ze dat haar moeder haar volledig vertrouwde. Ze wist hoe belangrijk dat was en had dat vertrouwen ook nooit beschaamd.

Als haar moeder iets vroeg kreeg ze eerlijk antwoord. Maar haar zonden opbiechten, zonder dat daarom gevraagd werd, dat hoefde ze niet. Ook haar moeder had haar geheimpjes die ze niet deelde als daar niet nadrukkelijk om gevraagd werd.

Ze legt de gebruiksaanwijzing voor het bureau terug in de la. ‘Eerst maar eens even boodschappen doen’, denkt ze bij zichzelf.