De eerste keer dat ze Petra zag was tijdens een ‘gluren bij de buren’ evenement. Vrienden van haar hadden hun huis beschikbaar gesteld voor een klein concertje van Petra, die er een aantal liedjes zong terwijl ze zichzelf op een baritonukelele begeleidde. ‘U vraagt zich misschien af wat er met mijn gitaar is gebeurd’, had Petra als introductie opgemerkt, ‘die is een beetje in de was gekrompen, zodat er nu nog maar vier snaren op passen’. Daarna had ze ingezet met een liedje van Jules de Corte, waar ze een eigen tekst op gemaakt had. Dat liedje ging als volgt:

  • Ik zou weleens willen weten
    waarom zijn de mensen zo kwaad
    misschien dat ze het zelf niet goed weten
    misschien zijn ze de liefde vergeten
    en voeden zich daarom met woede en haat
    daarom zijn de mensen zo kwaad

    Ik zou weleens willen weten
    waarom zijn de mensen zo mak
    zodat ze hun vrijheid verliezen
    door voor een dictator te kiezen
    en aan rede en logica hebben ze lak
    daarom zijn de mensen zo mak

    Ik zou weleens willen weten
    waarom zijn de mensen zo dom
    misschien zijn ze slecht onderwezen
    en kunnen daardoor niet goed lezen
    en raken verward van een simpele rekensom
    daarom zijn de mensen zo dom

Petra zong het met pretoogjes en een grote glimlach op haar gezicht. Terwijl ze zat te kijken en te luisteren merkte ze dat er ook een grote glimlach op haar gezicht kwam. Na het optreden liep ze op Petra toe en zei simpelweg: ‘Ik heb van je optreden genoten’. Petra had haar met glinsterende ogen aangekeken. ‘Dank je’, zei ze, en bleef haar aankijken. Ook zij had haar ogen niet van Petra af kunnen slaan. Pas toen iemand anders voorzichtig kuchte, maakten hun blikken zich van elkaar los. 

Zo was het begonnen. Liefde op het eerste gezicht. Ze had helemaal niet geweten dat dat kon. Ze had er wel eens van gehoord, maar ze dacht dat dat een mythe was. Een sprookje. Romantische nonsens. Het was haar nog nooit eerder overkomen. Soms was zij verliefd op iemand geworden, maar was die ander in eerste instantie niet net zo verliefd op haar, soms was het ook andersom geweest. Maar deze wederzijdse aantrekkingskracht had ze nog nooit eerder zo sterk meegemaakt. 

Op de een of andere manier had ze ook geweten dat het haar hierna nooit meer zou overkomen. Daar was het te speciaal voor. Ze was achtenveertig. Petra was zes jaar jonger. Ze wist natuurlijk niet zeker of Petra, net zoals zij, op vrouwen viel. Maar wat ze wel zeker wist was dat ze zich geen leven meer zonder haar kon voorstellen. ‘Vrienden voor het leven’, dacht ze. Ook als het alleen bij vriendschap zou blijven, zou ze daar tevreden mee zijn, realiseerde ze zich. 

‘Zullen we een keer afspreken?’, vroeg ze. ‘Graag’, zei Petra. En zo was het begonnen. Een liefde gebaseerd op vriendschap, een inniger vriendschap dan ze ooit gekend had. Dat Petra in een andere stad woonde had ze geen probleem gevonden. En Petra eigenlijk ook niet. Ze hadden allebei hun eigen leven en wilden dat graag zo houden. 

‘Ik moet er niet aan denken elke avond samen op de bank voor de buis te zitten’, zei Petra toen ze het een keer over relaties hadden. ‘Samen iets doen, vind ik fijn’, had ze geantwoord, ‘maar ik vind het ook heel fijn om op mezelf te zijn’. ‘Dat ben ik helemaal met je eens’, zei Petra. Dus bleven ze ieder in hun eigen stad wonen. De ene keer ging ze naar Haarlem, waar Petra woonde, en de andere keer kwam Petra naar haar toe in Utrecht. 

Op de dagen dat ze niet bij elkaar waren belden ze elkaar op, altijd rond een uur of elf ’s avonds, om even de dag bij te praten. Ze waren allebei blij om elkaars stem te horen, maar zelfs als ze niets meer te zeggen hadden, legden ze de hoorn niet meteen op de haak. Dan zaten ze, ieder in hun eigen huis, zwijgend aan de telefoon. Verbonden zonder iets te zeggen. Na zo een kwartier tot een half uur gezwegen te hebben, doorbrak een van tweeën de stilte met een zacht: ‘Lieve schat ik wens je welterusten’, en antwoordde de ander: ‘Jij ook welterusten schat’. Dan bleven ze allebei nog heel even aan de telefoon hangen, omdat geen van beiden de eerste wilde zijn om het contact te verbreken, totdat een van tweeën zei: ‘Ik hang nou echt op hoor’. ‘Slaap lekker’. ‘Jij ook’. En dan hing een van tweeën ook daadwerkelijk op, waarna de ander hetzelfde deed.

Het was juist dat zwijgen waardoor ze zich het innigst verbonden voelde met haar vriendin als ze aan de telefoon zaten. 

Ze waren nu een aantal jaren verder en nog steeds woonden ze ieder in hun eigen huis in hun eigen stad. Ze vond het prettig om bij Petra op bezoek te gaan. Ze voelde zich thuis bij haar vriendin en Haarlem vond ze een prettige stad om te vertoeven. Andersom was dat ook zo. Petra kwam graag bij haar op bezoek en voelde zich ook in Utrecht thuis. 

Ze was ooit naar Utrecht verhuisd vanwege de liefde. Daarvoor had ze eigenlijk nooit iets met Utrecht gehad, maar vanaf het moment dat ze er woonde had ze zich thuis gevoeld in die stad, meer dan in ’s Hertogenbosch waar ze daarvoor ruim negen jaar gewoond had en zelfs meer dan in Maastricht waar ze geboren en getogen was, maar waar ze weg was gegaan omdat ze de sfeer wel erg provinciaal had gevonden. 

Ze had weleens gedacht om naar Amsterdam te verhuizen, maar nu was ze blij in Utrecht te wonen. Amsterdam was leuk om een dagje naar toe te gaan, vond ze. Net zoals Den Haag, waar ze een tijdje gewerkt had. Rotterdam had haar nooit getrokken. Van alle grote steden vond ze Utrecht het prettigst, misschien ook omdat de stad, ondanks de grootte, toch iets provinciaals behouden had. Meer dan de andere grote steden in ieder geval. Daarbij was heel Nederland vanuit Utrecht goed te bereiken.

Ze had al jong besloten dat ze geen rijbewijs wilde halen. Autorijden trok haar niet aan. Van druk verkeer raakte ze alleen maar in de war. Daarbij wilde ze niet het risico lopen een dodelijk ongeluk te veroorzaken. Ze had, toen ze een jaar of zes was, een motorrijder, die tegen een auto gebotst was, in een enorme plas bloed op straat zien liggen en dat beeld was ze nooit helemaal meer kwijt geraakt. Ook had ze, in de Voorstraat in Utrecht een Volkswagen Kever uit de bocht zien vliegen, waarbij een vrouw geraakt werd. Ze had die vrouw letterlijk door de lucht zien vliegen, maar was niet dichterbij gaan kijken. Met bonkend hart was ze verder gelopen.

In de stad liep ze het liefst. Buiten de stad fietste ze graag. En verder kwam ze overal waar ze wilde komen door gebruik te maken van het openbaar vervoer. De bus, de trein, de tram, en als het niet anders kon een taxi. Een heel enkele keer had ze een auto nodig gehad. Een bestelauto, om te verhuizen bijvoorbeeld. Dan had ze altijd wel iemand bereid gevonden om voor haar te rijden. 

Ook Petra had geen auto. Een rijbewijs had ze wel. Op haar achttiende verjaardag had ze rijlessen cadeau gekregen van haar ouders en na twintig rijlessen had ze haar rijbewijs in één keer gehaald. Daarna had ze nauwelijks meer gereden. In het begin had ze een heel enkele keer de auto van haar vader geleend, maar vanaf het moment dat ze op zichzelf ging wonen had ze nooit meer een auto bestuurd. Wel had ze haar rijbewijs iedere keer verlengd. Maar eigenlijk durfde ze niet meer achter het stuur te kruipen. ‘Ik ben te bang dat ik het niet meer kan’, zei ze. 

Dus reisden ze heen en weer met de trein om elkaar te bezoeken. Soms met een tijdschrift of een boek, maar soms ook gewoon lekker rustig zittend, mijmerend naar buiten kijkend, zich alvast verheugend op elkaars gezelschap.