ruud moors ze aflevering 9
‘Zullen we eerst even een pannenkoek in die strandtent gaan eten’, stelt ze voor, zodra ze op het strand aangekomen zijn, waar de zilte zeelucht zich vermengt met de geur van pannenkoeken. ‘Is het nou een pannekoek of een pannenkoek?’, vraagt Petra zich hardop af. ‘Tegenwoordig is het een pannenkoek’, antwoordt ze. ‘In hoeveel pannen wordt zo’n koek dan gebakken? Volgens mij maar in één, dus die naam pannenkoek slaat nergens op’, zegt Petra. Ze lacht en zegt: ‘Dan zou het dus eigenlijk een pankoek moeten heten’. ‘Oké’, zegt ze, ‘zullen we dan een pankoek gaan eten?’. ‘Dat is goed’, zegt Petra en glimlacht even.
‘Mogen wij ieder een pankoek?’, vraagt Petra. ‘Sorry?’, reageert het meisje van de bediening. ‘We zouden ieder graag een pankoek willen’, vult ze Petra aan. ‘Een pankoek?’, vraagt het meisje. ‘Ja, een koek die in een pan is gebakken’, zegt Petra. ‘Voor mij met spek en stroop’, verduidelijkt ze. ‘En ik zou er wel een appeltje in gebakken willen zien’, zegt haar vriendin. ‘Jullie weten zeker dat jullie geen pannenkoek willen?’, zegt het meisje van de bediening met een grijns. ‘Nee, voor ons hoef je ‘m niet in verschillende pannen te bakken’, reageert Petra. ‘Twee koeken, ieder in één pan gebakken, de ene met spek en stroop en de ander met appel’. ‘Verder nog iets van uw dienst?’. ‘Een kopje warme chocolademelk graag’. ‘En voor mij een koffie verkeerd graag’.
‘Heeft het gesmaakt’, vraagt het meisje van de bediening bij het afrekenen. ‘Ja, het smaakt eigenlijk altijd’, zegt ze. ‘En dat niet alleen, het was nog lekker ook’, vult Petra aan. Het meisje kijkt hun even fronsend aan. ‘Sorry?’, zegt ze. ‘Een flauw grapje’, zegt Petra, ‘zo reageren we altijd op de vraag of iets gesmaakt heeft’. ‘Behalve als het niet lekker was, dan zeggen we dat het ongelofelijk smerig gesmaakt heeft. Maar dat was nu niet het geval, het waren heerlijke pankoeken’. ‘Dat is fijn om te horen’, zegt het meisje van de bediening. Je ziet haar bijna denken ‘wat een vermoeiende dames’, maar als ze de fooi ziet die de dames voor haar achterlaten krullen haar mondhoeken vanzelf omhoog.
Ze lopen gearmd langs de rand van de zee. Weg van de strandgasten die liggen te zonnen. Ze hebben allebei een grote hoed op, die met een touwtje onder hun kin zit, tegen het wegwaaien. Ze zuigt de zilte zeelucht op. Boven hun hoofden krijsen de zeemeeuwen. ‘Lekker, zo’n wandeling’, zegt ze.
‘Waarom had jouw moeder eigenlijk zo’n moeite met het feit dat jij lesbisch was?’, vraagt Petra. ‘Tja’, zegt ze. ‘Ik bedoel’, vervolgt Petra’ ‘met het feit dat Herman homo was had ze geen moeite, of in ieder geval niet zoveel. Waarom had ze dan zo’n moeite met jouw voorkeur voor een vrouw?’.
‘Mijn moeder had de neiging om dat waar ze zelf voor gekozen had tot norm te maken’, zegt ze. Ze denkt even na. ‘Enne, zij had gekozen voor een man, dus dat verwachtte ze ook van mij. Bij Herman vond ze het niet zo’n probleem omdat ze wel kon begrijpen dat hij, net zoals zij, voor een man koos, maar dat ik iets anders wilde, dat wilde er bij haar niet in.’ Ze zucht even. ‘Eigenlijk ging ze er als vanzelf vanuit dat ik in haar voetsporen zou treden, dat ik dezelfde keuzes zou maken die zij gemaakt had. Misschien wel omdat ik haar daardoor zou bevestigen in de juistheid van die keuzes. Ik weet niet of je je daar iets bij kan voorstellen?’. ‘Jawel’, zei Petra, ‘maar ga door’.
‘Mijn moeder was zestien toen ze iets met mijn vader kreeg. Hij was een jaar ouder. Hij was haar eerste echte vriendje. Toen ik veertien was vroeg ze regelmatig wat ik van mijn mannelijke klasgenoten vond. Toen ik zei dat ik daar geen interesse in had, vroeg ze of ik misschien verliefd was op een jongen die een klas hoger zat dan ik. ‘Ik was ook verliefd op je vader die een klas hoger zat. En ik had nooit gedacht dat hij in mij geïnteresseerd zou zijn, maar dat was dus wel zo’, zei ze keer op keer, alsof ze hoopte dat dat bij mij net zo zou gaan. Het irriteerde haar geloof ik dat ik niet net zo met jongens bezig was als zij was geweest toen ze zo oud was als ik.’
Ze zucht nogmaals. ‘Eigenlijk was dat met alles zo. Als zij iets leuk vond dan verdroeg ze het niet als ik zei dat ik daar niets aan vond. Dan probeerde ze me te overtuigen dat het toch echt wel heel erg leuk was. Maar als ze iets niet leuk vond en ik wel, dan begreep ze daar niets van. ‘Ik begrijp niet wat je daar aan vind. Ik vind daar niks aan’, zei ze dan. Alsof het feit dat zij daar niets aan vond vanzelfsprekend betekende dat er ook niks aan was. Dat was niet alleen bij mij zo. Daar had Herman ook last van’. Ze zucht even.
‘Herman wilde al heel jong kok worden. Mijn moeder hield niet van koken. Toen Herman acht jaar oud was wilde hij een speelgoedoventje voor Sinterklaas. Zo’n klein metalen oventje waarop je met fosforblokjes kon koken, met van die kleine pannetjes erbij. Mijn moeder vond dat maar niks. ‘Dat is geen speelgoed voor jongens’, vond ze. Maar Herman was eigenwijs. ‘Als ik geen oventje krijg, dan hoef ik niks voor Sinterklaas. Het is dat oventje of niks’. Mijn moeder wist dat Herman in staat was om alle cadeautjes te weigeren als hij dit cadeautje niet kreeg. Dus had ze een probleem’.
‘En hoe loste ze dat op?’, vraagt Petra. ‘Ze legde het aan mijn vader voor, waarbij ze benadrukte dat zo’n oventje toch echt geen jongensspeelgoed was. Mijn vader dacht even na en zei toen: ‘Maar wat als we hem een kampeergastoestel geven, met een echt keteltje en een echte pannetje. Dat is geen meisjesspeelgoed, per slot van rekening gaan ook jongens kamperen met zo’n kampeergastoestel, en hij kan er echt op koken, precies wat hij wil’. Daar kon mijn moeder eigenlijk geen bezwaar meer tegen maken. Dus kreeg Herman, tot zijn grote vreugde, een echt kampeergastoestel met toebehoren voor Sinterklaas’.
‘En toen?’, vraagt Petra, ’hoe ging het verder?’. ‘Mijn moeder had gehoopt dat dat koken een bevlieging was, maar dat bleek niet zo te zijn. Herman vroeg regelmatig of hij mee mocht helpen als mijn moeder ging koken, maar dat stond ze niet toe. ‘Nee, dat doe ik liever zelf’, zei ze, veel te bang dat ze het plezier in koken daarmee alleen maar zou versterken. In het laatste jaar van de basisschool gaf Herman aan naar de koksschool te willen. Ik was erbij toen hij dat aan mijn moeder kenbaar maakte. Haar reactie was niet mals. Kok willen worden was asociaal en egoïstisch, volgens haar’. ‘Hoe dat zo?’, vraagt Petra.
‘Hoe denk je dat het voor je vrouw is als jij besluit kok te worden?’, had ze gevraagd. ‘Dan zit je vrouw elke avond helemaal alleen thuis, omdat jij dan moet werken. Nou, ik zou er niet aan moeten denken om elke avond alleen thuis te moeten zitten terwijl mijn echtgenoot aan het werk was. Weet je wel hoe egocentrisch dat is?’ Die arme Herman had daar geen antwoord op. Hij was ook maar net twaalf. ‘Ga eerst maar eens naar de MULO’, besloot mijn moeder, ‘dan zien we daarna wel verder. Maar dat kok worden, dat vind ik echt geen goed idee’.
‘Maar hij is het wel geworden’, merkt Petra op. ‘Ja, op de MULO werd hij verliefd op een jongen uit zijn klas die ook kok wilde worden, en die ook verliefd op hem werd. Dus besloten ze na de MULO om samen naar de Hotelschool te gaan. Omdat het argument dat Herman door kok te worden zijn toekomstige vrouw onrecht aandeed nergens meer op sloeg, moest mijn moeder tandenknarsend toestaan dat Herman, samen met die vriend, naar de Hotelschool ging. ‘En toch vind ik het geen mannenberoep’, merkte mijn moeder nog op. ‘Maar Philomena, vrijwel alle koks zijn mannen’, merkte mijn vader op. ‘En toch vind ik het maar niks’, reageerde mijn moeder kribbig.’
‘Tja, moeders zijn niet altijd even gemakkelijk’, merkt Petra op. ‘Is jouw moeder ook zo ingewikkeld?’, vraagt ze. ‘Anders dan de jouwe, maar ja, ze is ook niet altijd even gemakkelijk’. ‘Mij heeft ze eigenlijk wel meteen geaccepteerd’, zegt ze. ‘Klopt, maar ook mijn moeder kan aardig dominant zijn. Zij bepaalt welke normen en waarden er binnen ons gezin horen te gelden. Maar wat ik vooral moeilijk vond als kind, was dat we een modelgezin moesten zijn. Dat is het probleem van een domineesgezin. Naar buiten toe moet je perfect lijken. Dat viel me wel eens zwaar. Daarom vindt mijn moeder ook dat ze jou moet accepteren. Om te laten zien hoe tolerant ze wel niet is. Maar ze kan aardig dwingend zijn, die moeder van mij’.
Petra lijkt even in gedachten verzonken. Dan zegt ze: ‘Als ik het licht aan wilde doen, moest ik dat altijd eerst aan haar vragen. Eigenlijk vond ik dat maar onzin. Dus deed ik soms het licht aan zonder eerst haar toestemming te vragen. Omdat ze er even niet was bijvoorbeeld. Maar als ze dan binnenkwam en zag dat het licht aan was, dan vroeg ze: ‘Wie heeft het licht aangedaan?’. Als ik vervolgens zei dat ik dat had gedaan, zei ze: ‘Had je dat niet eerst moeten vragen?’. ‘Mam, ik had gewoon licht nodig’, merkte ik dan op. ‘En toch wil ik dat je het eerst even aan me vraagt’, reageerde ze dan’. ‘En vroeg je dan nooit waarom?’. ‘Nee, want dan wist ik dat ik een tirade van minimaal een half uur kon verwachten’, zegt Petra, ‘en daar had ik geen zin in.’
Ze staan even stil langs de rand van de zee. ‘Lekker, zo’n windje’, zegt ze. ‘Ik vind het wel lekker om even niets te zeggen’, zegt Petra. ‘Dat is goed’, beaamt ze. Even later lopen ze samen zwijgend verder. Arm in arm. Allebei in gedachten verzonken.
Ruud Moors’ eerdere wekelijkse bijdragen aan dit magazine vind je hier: