Engeland en Amerika hebben een lange traditie van mijnwerkersliedjes. Wij kennen dat eigenlijk niet, terwijl gedurende een groot deel van de vorige eeuw in Limburg heel wat mensen diep onder de grond aan het werk waren. Bijzondere omstandigheden dus, dat is wel het minste wat je ervan kunt zeggen.

Toen de mijnen in 1976 allemaal dicht waren gegaan kwamen er in Limburg een paar muzikanten bijeen en werd de gelegenheidsgroep Carboon opgericht. Het was de bedoeling om één plaat te maken met liedjes uit het Limburgse mijnwerkersleven. Het werden er twee. Prachtige platen, zoals we er in Nederland eigenlijk te weinig hebben. Betrokken, ontroerend, zelfs aangrijpend op sommige momenten. De muziek valt wat moeilijk te omschrijven. Het is wat folkachtig, maar er is ook geleend bij country en zelfs bij Rock en blues, terwijl er ook op de juiste momenten een brass band wordt ingezet. Twee Carboonleden, Jean Innemee en Conny Peters, waren in Limburg bekend geworden met hun groep The Walkers, maar ze maakten met beide Carboonplaten hun twee meesterwerkjes.

Later heeft de groep nog twee platen gemaakt, waaronder één over de Bokkerijders, maar deze twee “koempel”-platen blijven onovertroffen.
Luister naar “Leef is mie land” op de eerste plaat, Witste nog, koempel en je gaat overstag. Aangrijpend mooie muziek, met een prachtig ingezette brassband. Mooi gekozen, want brass bands horen bij de mijnen. Kijk maar eens naar de Engelse film “Brassed off” om te zien hoe die twee met elkaar verbonden waren. Vreemd genoeg, zou je bijna zeggen, want je longen gingen geheid naar de verdommenis als je maar lang genoeg onder de grond werkte.

Prachtige muziek, die ook nog eens ergens over gaat. Feitelijk is het een mooi stukje geschiedschrijving van de mijnstreek. Twee platen die gekoesterd dienen te worden.