Mijn grootouders hadden een boerderij aan de rand van de Belgische grens. Stromend water hadden ze niet. Water werd uit een put gehaald. Het toilet stond op het erf; een houten huisje met een plank met een gat er in waar een deksel op zat. Daaronder was een grote beerput waar alle urine en poep terechtkwam. Als toiletpapier werden gescheurde stroken krantenpapier gebruikt. De weg waaraan de boerderij lag was niet geasfalteerd. In de winter was de hele boerderij, op de keuken na, ijskoud. Er werd dan ook altijd in de keuken geleefd. Ze hadden wel al elektriciteit. Die kwam uit België, omdat daar de dichtstbijzijnde bewoning was. Een bad of douche hadden ze niet. Als ze warm water wilden moesten ze dat eerst koken. Dat koken gebeurde op een fornuis dat op hout werd gestookt. Dat hout moest uiteraard eerst in stukken worden gehakt. Een auto of tractor bezaten ze niet. Wel een paard en wagen. Mijn grootmoeder, die door iedereen liefkozend ‘Moeder’ werd genoemd, was de hele dag bezig, niet alleen met de huishoudelijke taken, maar ook met al het werk dat op de boerderij moest gebeuren. Het was een hard bestaan. Maar vergeleken met hun ouders hadden mijn grootouders wel degelijk enige luxe: een radio bijvoorbeeld en elektrisch licht.

Mijn andere grootouders woonden in de stad. Ze hadden weliswaar geen douche, maar wel een binnentoilet dat je door kon trekken. Er hing toiletpapier, weliswaar niet zo zacht als het toiletpapier van tegenwoordig, maar toch. Ze hadden ook een geiser en daardoor warm water. Inplaats van een bewerkelijk fornuis hadden ze een gasfornuis met vier branders. En natuurlijk hadden ze elektriciteit. Zowel een radio als een televisie en zelfs een koelkast waren er op aangesloten. Vergeleken met mijn andere grootouders hadden ze een luxueus leven. Hun voedsel kochten ze bij de groenteboer, de slager en de melkboer. Ook bij hen was maar één ruimte verwarmd; de huiskamer; met een kolenkachel.

Wij woonden in een zogenaamde noodwoning. De keuken was piepklein, maar had wel een geiser. We hadden elektriciteit, een koelkast, een radio, een bandrecorder, elektrisch licht en zelfs een elektrisch verwarmingselement  in de douche. We hadden een douche! Luxe. Ook bij ons was er slechts één vertrek verwarmd met een kolenkachel (waar ik ooit mijn billen flink aan heb verbrand); de huiskamer.

Toen ik twintig was, woonde ik op een flat met centrale verwarming. Alle ruimtes waren behaaglijk warm. We hadden niet alleen elektrisch licht, maar ook een koelkast, een wasmachine (iets waar mijn grootouders alleen maar van hadden kunnen dromen), een radio, een televisie, een platenspeler met versterker en boxen, met een grote verzameling elpees. Ik realiseerde me toen al dat ik, in vergelijking met mijn grootouders, een enorme rijkdom had. Toen ik daar over nadacht, ging ik verder terug in de tijd en realiseerde ik me dat ik dingen kon bezitten die voor de rijkste mensen in de negentiende eeuw ondenkbaar waren. Als een koning in 1845 een concert wilde beluisteren dan moest hij naar een concertgebouw toe of een heel orkest naar zijn paleis laten komen. De kwaliteit van dat orkest was niet altijd optimaal. Maar als ik een concert wilde beluisteren dan kon ik een elpee opzetten van het beste orkest van de wereld die een bijna perfecte uitvoering ten beste gaf. Zo’n koning had die keuzemogelijkheid niet.

Ik ben sindsdien alleen maar rijker geworden. Deze tekst type ik op een laptop, een computer die het vermogen heeft dat de grootste computer die bestond toen ik twintig was, verre overstijgt. In die laptop zit een muziekprogramma waarmee ik mijn eigen muziek kan opnemen op een (bijna) professioneel niveau. Niet op vier of acht sporen, zoals ik dat aan het einde van de vorige eeuw nog moest doen, maar op zoveel sporen als ik maar wil. Ik kan vervolgens knippen en plakken, effecten toevoegen en allerlei instrumenten nadoen op een keyboard. Een groep als The Beatles moest het, in hun hoogtijdagen, met acht sporen doen. En dat was al een enorme vooruitgang ten opzichte van de twee sporen waarmee ze het in eerste instantie moesten doen. Mijn studio heeft, wat dat betreft, meer mogelijkheden dan de studio’s waar The Beatles opnamen. Op die laptop kan ik niet alleen typen en muziek opnemen, maar ik kan er mee internetten, spelletjes op spelen, muziek en boeken op downloaden en zelfs films monteren.

Ik woon in een eenvoudig huis, althans naar huidige begrippen. Een eetkeuken, vier kamers die ieder ongeveer 15 vierkante meter groot zijn, een douche met wastafel en toilet, een extra toilet, een boiler die het hele huis verwarmd en ons van warm water voorziet, zonnepanelen op het dak zodat we een deel van onze energiebehoefte zelf opwekken, huishoudelijke apparaten waar mijn grootouders alleen maar van konden dromen; een wasmachine met automatische programma’s en centrifuge, een waterkoker, een magnetron, een citruspers, mixer, groentehakker, koffiezetapparaat, stofzuiger, enzovoorts. We hebben verschillende beeldschermen, door het hele huis verspreid, verschillende geluidsinstallaties (een stuk of vier), dvd-spelers, camera’s om foto’s en films te maken, mobiele telefoons die ook als camera gebruikt kunnen worden en waarop muziek geluisterd kan worden en spelletjes gespeeld. Het is van een rijkdom die ik me dertig jaar geleden niet voor had kunnen stellen.

Dertig jaar geleden woonde ik in een kraakpand. We hadden geen warm water, maar wel een koelkast en een vierpitsbrander. We woonden met zijn  tweeën, ieder op een eigen kamer met gaskachel. Lekker warm. Ik bezat een geluidsinstallatie met twee bandrecorders en een cassetterecorder, waarop ik, op een primitieve manier, meersporenopnames maakte. We hadden geen douche dus moesten ons aan de wastafel wassen of bij buren of vrienden gaan douchen. Een enkele keer gingen we naar het badhuis, dat was er toen nog. Ik geloof niet dat ik toen ooit het gevoel heb gehad dat ik  iets miste. Ik had alles wat mijn hartje begeerde; een dak boven mijn hoofd, kleren om warm in te blijven (en niet in mijn blootje over straat te hoeven), mijn platencollectie, twee gitaren en een basgitaar met versterker, de mogelijkheid om te koken en geld genoeg om voedsel te kopen, en zelfs genoeg geld over om zo nu en dan een elpee of boek te kunnen aanschaffen. Ook was ik lid van de bibliotheek waar ik elpees en boeken leende. Wat een rijkdom. Zelfs toen bezat ik al meer dan mijn voorouders; mijn grootouders en hun ouders ooit hadden bezeten. Zelfs toen had ik een rijkdom die voor een keizer in de veertiende eeuw ondenkbaar was geweest. Die liep in de winter door zijn ijskoude paleis te rillen van de kou, terwijl ik, als ik het al koud had, mijn gaskachel wat harder liet branden.

Het staat vast dat ik nu comfortabeler leef dan een keizer als Karel de Grote. Mijn woning heeft een heel wat behaaglijker temperatuur, zeker in de winter. Mijn toegang tot cultuur is ook veel groter. Als ik naar muziek wil luisteren kan ik oneindig kiezen. Er is geen muziekstijl of ik kan er wel aankomen. Er is geen artiest of er is op internet wel iets van te vinden. Jazz, blues, country, pop, rock, klassiek, modern, folk, klezmer, tango, musicals, levensliederen, kinderliedjes, koormuziek, singer-songwriters, filmmuziek, muziek uit het westen, oosten, noorden en zuiden en mixen daarvan, de keuze is eindeloos. En waar moest Karel de Grote het mee doen? Met een hopelijk niet al te vals zingend koortje, een passerende bard met een tokkelinstrument of wat hoornblazers. En misschien met een klein orkestje. Maar Mozart, Beethoven, zelfs Bach heeft hij nooit kunnen horen. Ik wel. Als Karel in bad ging was dat een heel gedoe; water koken en met koud water mengen in een bad, beetje zeep erin kloppen. Dat werd niet elke dag gedaan, veel te veel gedoe. Sterker nog; wassen was sowieso iets dat zelden gebeurde. Gelukkig dat er parfum was, anders was de stank helemaal niet te harden geweest. Een toilet dat je door kan trekken, Karel heeft het nooit gekend. Een douche met warm water waar je elke dag even onder kunt springen, Karel had zelfs geen idee van de mogelijkheid. Als Karel op reis moest, kon hij er voor kiezen op een paard of in een koets te gaan zitten. Van dat paard kreeg hij zadelpijn en in die koets was het ook niet echt comfortabel reizen. Zo’n reis ging net zo langzaam als een paard snel kon gaan. Als ik een reis wil maken kan ik kiezen voor een fiets of brommer, een auto of een trein, tram, bus, vliegtuig of eventueel een luchtballon. Allemaal mogelijkheden die Karel niet had. Ik wel.

Ik ken niet veel mensen die nog nooit op reis geweest zijn. Hoewel ik geen grote fan van reizen ben, ben ik, sinds ik volwassen ben, best vaak op reis geweest. Even met de trein naar Parijs of Londen bijvoorbeeld. In mijn hele leven heb ik overigens maar twee keer een retourreis met het vliegtuig gemaakt; de eerste keer naar Ierland en de tweede keer naar Griekenland. Daar ben je binnen een paar uur. Karel de Grote zou daar maanden over gedaan hebben.

Volgens de hedendaagse normen ben ik niet rijk. Maar zo voel ik me wel. Dat komt omdat ik me niet vergelijk met mensen in mijn omgeving die rijker zijn dan ik. Ik vraag me altijd af wat ik echt nodig heb en dat is niet meer dan mijn grootouders hadden. Als ik mijn rijkdom, dat wil zeggen; wat ik meer heb dan dat, daar tegenover zet, dan ben ik echt rijk. Ongelofelijk rijk. Ik heb zo veel meer dan ik nodig heb dat ik er best wat van zou kunnen missen. En als dat geen rijkdom is, dan weet ik het niet meer.

 

 

terug naar de startpagina van moors magazine

« | »