The New Yorker is, wat mij betreft, het beste weekblad ter wereld, en ik realiseerde me, toen het blad dit jaar haar honderdjarig bestaan vierde, dat ik al een halve eeuw op dit magazine geabonneerd ben. Ik zat dus meteen klaar toen er een documentaire op Netflix verscheen The New Yorker at 100.

Anderhalf uur lang over The New Yorker, waarin onder meer hun beroemde fact-check-afdeling uitgebreid aan bod komt, maar ook de legendarische stukken die in het blad verschenen, zoals de John Hersey-reportage over Hiroshima, die een compleet blad in beslag nam, of Silent Spring van Rachel Carson, twee reportages die een enorme invloed zouden hebben.

The New Yorker is het enige tijdschrift dat altijd verschijnt met een tekening op de cover. Nooit een foto, nooit aanprijzingen, alleen een tekening. Het is ook het enige blad dat altijd fictie en poëzie brengt, en alle grote schrijvers en dichters hebben voor The New Yorker geschreven, van John Updike, JD Salinger, John Cheever, Annie Proulx, James Baldwin tot en met Milan Kundera.

Mijn persoonlijk grote held is de huidige hoofdredacteur van The New Yorker, David Remnick – het hoofdredactionele stuk dat hij schreef meteen na de eerste obverwinning van Donald Trump is me altijd bijgebleven – hij was op dat moment de enige die op een verstandige manier waarschuwde voor wat er komen ging, en hij heeft vanaf dat moment ook altijd zijn rug recht gehouden en er voor gezorgd dat The New Yorker een rots in de journalistieke branding is gebleven.

David Remnick

David Remnick

In de documentaire zien we Remnick als een bescheiden man, die bijvoornbeeld nooit aan het hoofd van de tafel gaat zitten bij bijeenkomsten met zijn redactie, en die lakoniek verklaart dat de eigenaar van het blad na het onverwachte vertrek van de vorige hoofdrdacteur, Tina Brown, kort had rondgekeken op de redactie en hem toen gevraagd had. En, ja, iemand moest het doen.

Dan zijn er de befaamde cartoons van het blad en de redactrice die de duizenden inzendingen moet terugbrengen tot de kleine selectie waar uiteindelijk een keuze uit gemaakt moet worden, en Francoise Mouly (getrouwd met Art Spiegelman en bevriend met Joost Swarte), die al vele jaren verantwoordelijk is voor de covers – ook daar is alle aandacht voor.

francoise mouly

Francoise Mouly


Toch miste ik ook erg veel in de documentaire, want anderhalf uur blijkt dan toch wel erg kort om echt recht te doen aan de grote betekenis die het blad op veel gebieden heeft gehad. Cartoons bijvoorbeeld zijn altijd belangrijk geweest in het blad, zelfs zo belangrijk dat het hele begrip cartoon volledig op de kop gezet kon worden door Saul Steinberg, een van de meest invloedrijke kunstenaars van de vorige eeuw, die in The New Yorker volledig de vrije had had om de meest krankzinnige cartoons te maken.

Dat Charles Addams met zijn duistere humor wel even genoemd wordt is prima natuurlijk, maar wat dacht je van William Steig, de schepper van Shrek en van een compleet oeuvre aan superieure cartoons? Ook het feit dat de cover heel vaak gemaakt werd door kunstenaars van over de hele wereld mocht wel genoemd worden, wat mij betreft, want wereldwijd was en is het een grote eer om op de cover van The New Yorker te staan. Dat geldt voor onze Joost Swarte, maar ook voor de franse tekenaar Sempé, de Belg Klaas Verplancke (overigens de vijfde Belg die ooit een cover verzorgde), de Duitser Christoph Niemann, zelfs David Hockney maakte al een cover voor het blad.

En bij de grote schrijvers miste ik Ved Mehta, die zijn hele indrukwekkende autobiografie in The New Yorker publiceerde, en die als blinde stafmedewerker toch een opvallende rol in de geschiedenis van het blad heeft gespeeld. En er waren opmerkelijke schrijvers als Joseph Mitchell die na zijn laatste verhaal nog jaren naar zijn kantoor bij The New Yorker bleef komen maar geen letter meer inleverde, en James Thurber die langzaamaan blind werd en krankzinnige cartoons en verhalen bleef maken.

Goed, er is dus genoeg te vertellen om er, na deze documentaire van anderhalf uur nog een hele serie aan te wijden, wat mij betreft met elke keer een ander thema wellicht. Ik zie zo twintig aflevering van een uur voor me. Maar kijk eerst maar eens naar deze Netfixdocumentaire, want ondanks de dingen die ik miste is hij zeker de moeite waard.